Maart gevoel
Maart
Nou is de Winter weggeruimd.
Die aan de aard zat vastgevroren,
Nou is het vuil er afgeschuimd
En komt de blote grond te voren.
Maart heeft de korst al schoongespoeld
En blaast er op om ‘t af te drogen;
Zijn eigen borst is blootgewoeld
Daar gaat die knaap: – zijn donkre ogen,
Als vijvers waar een bloem in drijft
Maar waar geen bodem is te schouwen
En ‘t wijze water doodstil blijft
Kijken in ledige landouwen;
Hij houdt een dood blad in zijn mond,
En blaast het weg – een vreemde vlinder!
Dan zoekt hij ijvrig aan de grond:
Hij is de mooie bloemenvinder,
Waarnaar de eerste krokus gluurt
En opkijkt uit haar winterdromen
Luister! een lijster tureluurt
Al ginder in de hoge bomen!
Die heeft het gure tij al lief!
Die roept het licht om mee te spelen:
Wat zou zo’n boze lentedief
Anders dan zonnestralen stelen?
Daar zijgt de zon in ‘t waterland
En lacht een rimpling in de sloten,
De jonge Maart slaapt aan de kant,
Met de eerste bloem, bij de eerste loten.
De schrale aard leek uitgeteerd
En afgeleefd in al haar naden
En zwarte voegen, – zie: nou keert
Haar jeugd uit de geleden schade!
Zij heeft gedragen en gebaard,
Al zoveel eindeloze malen
Nou staat haar stil gelaat verklaard
En gaat zij rustig ademhalen.
Zo’n lieve lach heeft ook een vrouw,
Als ze uit het bleke bed weer ‘t leven
Ziet en aanneemt en weer de vouw
Van naar verdriet heeft gladgewreven.
Als aard en akker draagt ons hoofd
De voren van zijn wil en werken,
Geen hand, die uit die voegen rooft,
Geen wind, die ons de diepe merken
Van ‘t leven en het weten neemt!
Leun gij dan, maat, op de oude spade!
Zie naar die gaard en klare beemd,
En lees de vrucht van al uw daden
En al uw kommer in de lach
Van wat vergaat en wordt geboren:
Uw leven is een dorre dag.
Hebt gij een dode schijn verloren
Zij gij ‘t die de eerste paasbloem vindt
Om daar de aard mee af te romen,
Tot de eerste Mei uw dorstig kind
Over zijn bloesems heen ziet komen,
En gij in de geruste schoot
Van Hollands wei u leit te slapen;
Maar ‘t leven verft uw lijf nog rood!
En roept uw klare geest te wapen
In ‘t werktuig dat uw leger teelt,
In ‘t voorjaar dat uw moed zal dragen,
Uw onder-gang en op-tocht beeldt
In de gedaante van de dagen,
Wier ring in u zijn orde herschept.
O gij: gedenk de stille maaier,
Die vroeg genoeg zijn voeten rept!
Zie! zie: daarginder gaat een zaaier!
Schrijver: C.S. Adama van Scheltema

Vandaag een deel van de grassen geknipt in de stadstuin. De salamanders maakten rimpels op het wateroppervlak van de vijver. De wind was nog schraal maar ik voelde even de lente.
De lente komt van ver
De lente komt van ver, ik hoor hem komen
en de boomen hooren, de hooge trilboomen,
en de hooge luchten, de hemelluchten,
de tintellichtluchten, de blauwenwitluchten,
trilluchten.
O hoor je haar komen
met je zachte warme vingeren
hoog trillende in de bloeme-
luchten die rondom klingelen?
met je vlottend haare
met het licht gebaren
van je blauwe vervlietende oogen
in het allerhooghooge
het hoogheilige luchtige goudluchtere licht?
hoor je ‘m komen tederstil licht?
Bovenstaand is een fragment uit een gedicht van Herman Gorter.
Kijk ik uit mijn raam zie ik een stralend blauwe lucht en krijg ik een lentegevoel. Mijn blik mag echter niet verder naar beneden dalen want dan aanschouwt mijn oog, daken met sneeuw en een wit besneeuwde tuin.
Ik hou van witte tuinen maar dan bedoel ik een tuin vol witte bloemen. Een tuin vol tederstil licht. Wat verlang ik naar de lente, als de eerste zonnestralen het klimop bereiken. Deze week ga ik witte bloemen zaaien in potjes op de vensterbank, de Ammi majus, witte Dille, een pracht op ranke steeltjes. Deze plant vlecht ik dit jaar door de border van mijn stadstuin samen met Cleome spinosa ‘Helen Campbell’, kattesnor. Ook in mijn pluktuin komen deze planten te staan, mooi om te verwerken in bloemschikken. Een oude liefde die ik weer gevonden heb.

Winterstilte

Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
‘t Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals
1868-1922
Landschap

Landschap
Ik heb een plaatsje bij het raam
de conducteur zwaait met het spiegelei
de trein vertrekt op tijd
verheug me op de reis
mijmerend over het landschap
met alle schakeringen groen
ontluikende bomen en planten
vogels vliegend naar de horizon
denk aan oneindige vlakten
met korenbloemen en wilde weit
aan water, dijken en molens
mijn land, wat denk ik je rijk
een industrieel landschap raast voorbij
zie een woud van torens
kantoorpanden, wegen en viaducten
met hier en daar een postzegel groen
dorpen worden steden
velden volgegoten met beton
staar verbijsterd naar buiten
mijn land, je bent tot steen geworden.
Een vleugje lente
Lente
C.S. Adama van Scheltema
De zon is verschenen!
De aarde straalt
Zij heeft een verdwenen
Geluk in mijn oogen gehaald.
Ik ben alles vergeten
Wat ik zooeven wist
Ach: wat is ‘t dat we weten?
Wat is ‘t! wat is ‘t!
Wat is ‘t dat we willen,
Dan de kranke aarde in ‘t
Zonlicht te tillen
Als een arm ziek kind!
In de tuin zie je overal sprietjes van de voorjaarsbollen verschijnen, o.a sneeuwklokjes, crocussen en scilla’s. Gisteren met het zonnetje in mijn rug had ik even een lente gevoel. Geen gure harde wind die door de tuin veegde maar serene rust, het zingen van vogels en natuurlijk de eerste dansmugjes boven de verdroogde grassen.
Ondanks het lentegevoel bleek de temperatuur toch nog laag te zijn, aan de Prunus hingen ijsdruppels.

Vandaag echter een grijze, miezerige dag, om het lente gevoel weer boven te halen ga ik vandaag groente en kruiden soorten zaaien in mijn kweek kasjes.

